Think before you shout

Acht jaar geleden zette ik mijn eerste stappen binnen de rechtenfaculteit van de Universiteit van Utrecht. Vol goede moed en enthousiasme , en met een grote drive om een goede advocaat te worden. Acht jaar later ben ik dat laatste vooral niet, maar ben ik wel nog steeds verzot op de juridische wereld en al haar donkere en minder donkere uithoeken. Voor veel mensen spreekt de juridische wereld weinig tot de verbeelding en de opmerking “Ik ben jurist” is meestal geen partystarter.

 

De meeste mensen vinden wet en recht nu eenmaal weinig interessant, tenzij het opeens heel dichtbij komt. Het strafrecht is hier een goed voorbeeld van. Het strafrecht is spannend, snel, zo nu en dan juicy én, niet onbelangrijk, veel in het nieuws. Een fusie of overname neemt men voor kennisgeving aan; over een moordzaak wordt dagen-, zo niet wekenlang gesproken bij de koffieautomaat. Ik ontken niet dat hoewel ik geen enkele ambitie in het strafrecht had (en heb), ik wel het meest naar deze colleges uitkeek. Aanrijdingen met rode Porches, met arsenicum vergiftigde echtgenoten, liquidaties, politieverhoren… Het kwam allemaal voorbij en ik nam het gretig op.

 

Maar zoals er tijdens een voetbaltoernooi altijd zeventien miljoen trainers zijn, zijn er tegenwoordig ook zeventien miljoen rechters in Nederland. Niet gehinderd door enige kennis heeft iedereen een mening over strafzaken. Straffen zijn eigenlijk altijd te laag en men is niet bang om deze mening overal en nergens te verkondigen (dank u, Internet), hier en daar aangevuld met een doodsverwensing of anderszins obscene taal. Het meest recente voorbeeld hiervan is de uitspraak van de rechter in de zaak van de automobilist (ziet u, nationaliteit is hierbij helemaal niet relevant) die een peuter en haar opa en oma doodreed. De vader smeet een stoel door de rechtszaal toen hij de uitspraak van de rechter vernam. Begrijpelijk, zijn dochter en schoonouders zijn dood. In de ogen van een nabestaande is dan geen enkele straf hoog genoeg. Of je dan een stoel door de zaal moet smijten, is een ander verhaal, maar ik snap zijn emoties zeker.

 

Waar ik meer moeite mee heb, zijn de zeventien miljoen andere rechters die zich nu via Facebook, Twitter en andere kanalen laten horen. Mijn favoriete radioprogramma in de ochtend ging er vanochtend ook weer gretig in mee, net zoals vele andere media. Natuurlijk is het goed dat hierover gediscussieerd wordt, want op het eerste gezicht lijkt 120 uur taakstraf voor de dood van drie mensen bizar weinig. Echter, wat veel mensen niet doen, is zich wat meer verdiepen in de feiten. Je hoeft geen strafrechtdeskundige, heck, niet eens een jurist te zijn om te begrijpen dat een rapport waarin staat dat de bestuurder tussen de 76 en 124 kilometer heeft gereden op een 80 kilometer weg, geen keihard bewijs is voor de stelling dat de automobilist te hard gereden heeft. Daarnaast is aangetoond dat een bocht als degene waarin de automobilist de macht over het stuur kwijtgeraakt is, zonder problemen met 130 km/u ingereden kan worden. Maar aan simpele feiten zoals deze wordt door veel mensen voorbij gegaan. Ze hebben de klok horen luiden, maar weten niet waar de klepel hangt.

 

Ondertussen worden er wel duizenden doodverwensingen over de automobilist neergestort. Deze persoon, waarvan niemand de persoonlijke situatie kent, heeft wellicht – hoe tragisch ook – ‘per ongeluk’ (ik gebruik deze woorden heel voorzichtig) drie mensen doodgereden. Vreselijk, dat wens je niemand toe. De nabestaanden niet, maar ook de automobilist niet. Ik durf te wedden dat de schreeuwers nu, net zo hard zouden schreeuwen als zij veroordeeld zouden worden tot vele jaren gevangenisstraf terwijl hun schuld niet bewezen is. Al zullen hun woorden dan iets anders klinken en door niemand gehoord worden.

 

Er is geen twijfel over mogelijk dat dit een vreselijk tragische situatie is, voor alle betrokken personen. Worden er in het strafrecht fouten gemaakt? Genoeg, want niemand is perfect. Moet daarover een publieke discussie gevoerd kunnen worden? Uiteraard. Maar daarbij iets vaker stil staan bij feiten, in plaats van uit emotie publiekelijk meeschreeuwen met de massa, zou geen enkel mens kwaad doen.

Advertenties

Oorlogsvoorwerpen in de Kunsthal

Zondag stapten mijn lief en ik op de fiets naar Rotterdam voor een bezoekje aan de Kunsthal. Een paar weken geleden waren we er al geweest voor de tentoonstelling S.H.O.E.S. en Forever Young van Martijn van de Griendt (het bijbehorende boek heeft nu een ereplekje op mijn Expedit). Op onze dwaaltocht op zoek naar de volgende zaal kwamen we langs De Tweede Wereldoorlog in 100 voorwerpen die op dat moment nog opgebouwd werd. Zelfs van een afstandje werd onze aandacht getrokken dus we beloofden elkaar snel weer terug te gaan. Zo geschiedde.

Ik kan alleen maar zeggen: wat een prachtige tentoonstelling! Allereerst mooi vormgegeven met een donkere zuil per voorwerp met – naast een toelichting – daarop een quote die met het voorwerp te maken heeft. Waar we dachten deze tentoonstelling wel even te kunnen doen, dwaalden we wel twee uur door de hal heen. We werden geraakt door de afscheidsbrief van Carl Martin Zellermayer (zie hierboven), gniffelden om de gasvrije kinderwagen die gemaakt werd voor Prinses Beatrix en bewonderden de inventiviteit van de mensen die in deze vreselijke tijd geleefd hebben.

Een gestolen servies. Een trompet. Een bril. Een straatnaambordje. Honderd voorwerpen met ieder hun eigen verhaal die niet alleen de gruwelen van de Tweede Wereldoorlog laten zien maar ook de kracht en de moed die veel mensen, ondanks alles en misschien ook wel gedwongen door de omstandigheden, wisten op te brengen. Je weet al zo veel over de Tweede Wereldoorlog, maar toch laten deze voorwerpen je weer kennis maken met een hele andere kant of vertellen een verhaal dat je nog niet kende.

Zo kwamen we ook bij een metalen tondeuse met een oranje lintje er aan. Gebruikt om na de bevrijding ‘de moffenmeiden’ publiekelijk kaal te scheren. Omdat ze verliefd waren geworden op een Duitse soldaat. Even daarvoor hadden we het er al over: soldaten zijn ook maar jongens die verplicht worden te gaan vechten voor the cause van een of twee gekken. Zij deden wat hun opgedragen werd. En de meiden die verliefd op ze werden, werden verliefd op gewoon een jongen, die toevallig on the other side stond. Ze werden er echter voor beschimpt en bestraft. Logisch misschien ook, ze gingen om met de vijand. Maar toch. Het bleef in mijn hoofd zitten. Liefde kun je niet tegen gaan en liefde kun je niet verbieden. Moet je over liefde willen en mogen oordelen?

Iets anders dat me aan het denken zette, waren de vele verhalen over NSB’ers, verzetsmensen, mensen die Joden hielpen of lieten onderduiken… Het is nu niet voor te stellen hoe het is om in oorlog te leven, maar aan welke kant zou ik staan? Zou ik de kracht vinden om me te blijven verzetten tegen een – in eerste instantie – oppermachtige vijand? Komt er niet een moment dat je ook voor zelfbehoud kiest? Ik weet het niet.

Want is het niet een primaire reactie van de mens – waarvan je kiest of je hem naleeft – om voor zelfbehoud te kiezen? Na de oorlog zijn heel veel NSB’ers veroordeeld en ook nu is een NSB-gerelateerde familiegeschiedenis reden voor afwijzing en afstandelijkheid. Vanuit de geschiedenis en al hetgeen gebeurd is in de Tweede Wereldoorlog snap ik deze primaire reactie, maar de vraag is of er niet enkelen van ons misschien dezelfde keuze hadden gemaakt of zouden maken, mochten wij ooit nog in een dergelijke situatie belanden.

In het dagelijkse leven zie je (uiteraard zeer verkleind) veelal hetzelfde gebeuren. Mensen kunnen heel kwaad of verontwaardigd over iets zijn, maar als het er op aankomt, kiezen zij in plaats van verzet vaak voor hun baan, hun goede naam, een familieband, een vriendschap… Zelfbehoud is een natuurlijke eigenschap van de mens. Ik heb geen woorden of maar een greintje sympathie voor de gruwelen die Hitler (en zijn volgers) in de Tweede Wereldoorlog heeft doen ontstaan, maar de tentoonstelling De Tweede Wereldoorlog in 100 voorwerpen heeft me wel veel meer aan het denken gezet over de menselijke kant van de verhalen van degene die in de oorlog wellicht niet (helemaal) aan de ‘goede’ kant stonden. Ik kan dat niets anders dan een verrijking noemen.

De Tweede Wereldoorlog in 100 voorwerpen is nog t/m 5 mei 2014 in de Kunsthal in Rotterdam te zien en is echt meer dan de moeite waard om te bezoeken. 

Een groots en meeslepend leven

Laatst kwam ik deze uitspraak ergens tegen, volgens mij was het de titel van een boek. Een groots en meeslepend leven… wie wil dat nu niet? We zijn maar relatief weinig jaren op deze aardbol en wil niet iedereen op zijn sterfbed kunnen vertellen hoe geweldig, spectaculair en fantastisch zijn leven was? Niemand wil terugkijken op een saai en onbenullig leven. En alsof dat nog niet genoeg is, word je op Facebook en Instagram overspoeld met (altijd perfect gelukte) foto’s van mensen die hun droom leven, naar de meest fantastische feestjes gaan, er altijd fantastisch uit zien en de meest geweldige reizen en stedentrips maken. De druk is hoog.

Een paar jaar geleden was ik – net uit een lange, moeilijke relatie en zonder echt een studententijd beleefd te hebben – ervan overtuigd dat ook ik een groots en meeslepend leven moest hebben. Ik had het enigszins bekrompen Limburg achter me gelaten en woonde nu in de grote Randstad waar de mogelijkheden onbegrensd waren. Dus ging ik los. Ik maakte geen grote reizen, maar ging wel leven volgens het Eat, sleep, rave, repeat (link) principe met soms ontzettend domme besluiten van dien. Want dat was mijn idee van een groots en meeslepend leven. Ik had grootse plannen waar nooit wat van terecht kwam en die iedere week (of dag) wijzigden. Had ik het naar mijn zin? Absoluut. Werd ik er echt gelukkig van? Absoluut niet.

Nu, een paar jaar later, lees ik de weblogs terug die ik in die tijd schreef op mijn toenmalige weblogs (een openbare en een meer afgeschermd). Ik zie daarin geen meisje met een groots en meeslepend leven, maar vooral iemand die totaal geen idee heeft wat ze wil en die misschien ook wel enigszins labiel is. Ja hoor, ze heeft het naar haar zin en zal die tijd ook vast nodig hebben, maar een groots en meeslepend leven? Niet bepaald.

Wat mijn idee dan wel is van een groots en meeslepend leven? Een leven waar jij op je sterfbed met tevredenheid op terug kunt kijken en waarbij je tevreden kunt stellen dat je daadwerkelijk geleefd hebt. Of dat nu een leven is vol feestjes en high society of een leven thuis, perfect gelukkig met je gezinnetje. Volgens mij leef je een groots leven wanneer je de dingen doet die jij wilt doen, en niet omdat anderen willen dat je dat doet of omdat je meent dat je het zo moet leiden.

Ik durf op dit moment te zeggen dat mijn leven groots en meeslepend is. Waarom? Omdat ik in jaren niet zo gelukkig ben geweest, ik in jaren niet zo veel lol heb gehad en ik nu daadwerkelijk mezelf ben. Ik ben madly in love met de leukste man ter wereld en ons leven samen is heel erg goed. We dansen onze voeten stuk op feestjes, hebben veel te veel festivalkaartjes voor deze zomer en maken grootse toekomstplannen in de kroeg. Daar tegenover staat ook het samen in bed met een glas wijn series kijken of ons ochtendritueel van samen een kop thee drinken, hoe vroeg het ook is. Ik doe dingen die ik leuk vind en heb een geweldige groep vrienden om me heen maar heb ook nog genoeg om over te dromen.

Voor de buitenwereld net zo excited als de instagram accounts vol perstrips, society feestjes en intellectueel culturele dingen? Misschien niet. Maar ik zou mijn leven niet anders willen leven, want ik heb mijn rust en mijn geluk gevonden. En dat is volgens mij de kern van groots en meeslepend leven.